Guinee Bissau

Boé

De Boé is de meest zuidoostelijke sector van de regio Gabu. De officiële hoofdstad is (Madina de) Boé maar het bestuurlijk centrum is nu in Beli; dit is althans de vestigingsplaats van de “administrador”, de hoogste ambtenaar van de Boé.
De Boé is ongeveer 2000 km² (200.000 hectare) in oppervlak. De bevolking bestaat uit ruim 12.000 mensen verdeeld over 85 dorpen. Over het algemeen is de Boé dus zeer dun bevolkt.
De regio is extreem arm, meer dan 90% van de bevolking leeft van minder dan € 1 per dag. Er komt geen hongersnood voor, maar in bepaalde seizoenen zijn mensen sterk afhankelijk van wat ze in het bos vinden. Wel lijkt de opnamecapaciteit voor meer mensen zeer beperkt en zelfs op enkele plaatsen al overschreden.
De infrastructuur in de Boé is gebrekkig. De westgrens en de noordgrens van de Boé worden gevormd door de Rio Corubal. De enige toegang tot de Boé via deze kant loopt via een pont over de Corubal. Hoewel de pont op zich van goede kwaliteit en betrouwbaar is wordt hij niet vaak gebruikt. Vervoer per prauw over de rivier is goedkoper en wordt dus frequenter gebruikt. In het zuiden en oosten grenst de Boé aan Guinee (Conakry). Er zijn enkele grensovergangen maar de wegen zijn nauwelijks begaanbaar. Ze worden vooral gebruikt voor het vervoer van smokkelwaar. Voor de gemiddelde inwoner van de hoofdstad Bissau is de Boé erg ver weg. De meesten zijn er nog nooit geweest.

Klimatologisch behoort de Boé, net als de rest van Guinee Bissau tot de tropisch humiede klimaat zone van het savannetype (Aw). De dagtemperatuur schommelt tussen de 30 en 33 graden Celsius, de nachttemperatuur varieert tussen de 18 en 23 graden. De verschillen in neerslag zijn extreem. In de maanden december tot en met april is regen vrijwel afwezig. Van juni tot en met oktober is het erg nat.

Geografisch kan men de Boé zien als het uiterste noordwestelijk deel van het grote Fouta Djalan massief in Guinee (Conakry). Het landschap bestaat uit grote vlakke plateaus met een savannevegetatie, op onregelmatige plaatsen doorsneden door betrekkelijk smalle rivierdalen met ondiepe maar vrij steile oevers. De oevers en dalen van de rivier zijn begroeid met tropisch bos. Het is in dit bos dat de grootste diversiteit aan flora en fauna wordt gevonden. Het is ook hier dat de chimpansees voorkomen.

Geologisch gezien bestaat Guinee Bissau uit drie gebieden. De westelijke helft van het land bestaat uit relatief jonge mariene sedimenten. De ouderdom loopt van Quartair tot Neogeen (grofweg jonger dan 25 miljoen jaar oud). In het noordoosten komen de oudste gesteenten voor, ze zijn merendeels gedateerd als behorende tot het Neoproterozoïcum (540 tot 1200 miljoen jaar oud). De gesteenten van het zuidoostelijk deel van Guinee Bissau, dus inclusief de Boé nemen een tussenpositie in. Het zijn merendeels sedimenten die werden afgezet in het Devoon, Siluur en Ordovicium (360 tot 480 miljoen jaar oud). Het zijn grotendeels zandstenen maar deze zandstenen worden soms afgewisseld met lagen die meer klei en silt bevatten. De sedimenten worden plaatselijk doorsneden door “pockets” van jongere, waarschijnlijk Mesozoïsche, stollingsgesteenten, zoals doleriet.
Voor de economische geologie is zowel de geologische als de geomorfologische geschiedenis van het gebied zeer belangrijk. Gedurende een lange periode met een tropisch klimaat en stabiele tektoniek, vermoedelijk in het Paleogeen (25 -65 miljoen jaar geleden werd er in de Boé een schiervlakte (“peneplain”) gevormd met een sterk verweerde bovenlaag. Tijdens tijdelijke drogere perioden werd deze verwereringslaag steeds harder en verkreeg de eigenschappen van een “duricrust”. De samenstelling van deze duricrust is afhankelijk van de intensiteit van de verwering en de samenstelling van het oorspronkelijke gesteente. Het grootste deel van de Boé heeft een dikke laterietkap die plaatselijk makkelijk 10 meter dik kan worden.

boe.JPG

pont.JPG